geld 

1.    DIACONIE EN FINANCIËN

Bewogenheid met de naaste is een wezenskenmerk van de christelijke gemeente.

Deze bewogenheid krijgt onder meer gestalte in het diaconaat.

Daarbij kunnen in materieel opzicht de volgende zaken worden onderscheiden:

- het inzamelen van de door de gemeente bijeengebrachte gelden;

- het beheer van die gelden;

- een verantwoorde besteding van die gelden.

Hierbij mag het geld geen doel zijn, maar moet het een middel zijn.

1.1       Inzamelen

In Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus schrijven de opstellers dat de gemeente, naast het onderhouden van de kerkendienst en de scholen op de rustdag, naarstig moet opgaan tot de gemeente Gods om Zijn Woord te horen, de sacramenten te gebruiken, God de Heere openlijk aan te roepen en de armen christelijke handreiking te doen. De diaconale collecten zijn dus een wezenlijk deel van de eredienst! Ontvangsten en uitgaven voor kerk en diaconie moeten structureel gescheiden plaatsvinden.

Ook in het bevestigingsformulier van ouderlingen en diakenen wordt de gemeente opgeroepen om de diakenen te voorzien met goede middelen tot hulp der armen. De diakenen worden opgeroepen om met getrouwheid en naarstigheid de aalmoezen en goederen te verzamelen en te bewaren.

Tot het getrouw verzamelen van de gelden behoort ook het opwekken van de gemeente om christelijke handreiking te doen.

1.1.1       Algemene collecten

Tijdens de erediensten wordt gecollecteerd voor de diaconie (en voor de kerk). De opbrengsten van de collecten voor de diaconie vormen de ‘algemene’ middelen. Deze inkomsten zijn bestemd voor de armen en behoeftigen. Om de gemeente te stimuleren tot geven voor diaconale doelen is het van belang dat de diaconie heldere informatie geeft over de noden die er zijn.

1.1.2       Doelcollecten

Naast de algemene collecten kunnen doelcollecten worden gehouden. De opbrengst daarvan is voor een bepaald van tevoren bekendgemaakt doel. De praktijk heeft geleerd dat het noemen van een specifieke bestemming voor de diaconale collecte de gemeente stimuleert tot geven. Als voor de gemeente duidelijk is dat de diaconie de middelen gebruikt voor goede diaconale doelen, wordt de bereidheid om te geven groter.

1.2       Beheren

Voor een zorgvuldig beheer van de financiën van de diaconie stelt de diaconie een penningmeester aan die de financiële zaken beheert. De penningmeester voert een financiële administratie die zo is opgezet, dat het mogelijk is dat deze gecontroleerd kan worden. Bij het administreren van giften en ondersteuning aan particuliere personen is het van belang dat de naam van de steunvrager niet herkenbaar in de stukken staat.

Jaarlijks aan het begin van een nieuw jaar stelt de penningmeester een financieel verslag over het afgelopen jaar op. De jaarstukken worden voordat ze aan de leden worden gepresenteerd, gecontroleerd door een controlecommissie. In verband met mogelijke herkenning van steunvragers is het aan te bevelen dat deze commissie bestaat uit leden van de kerkenraad.

Het is aan te bevelen om in het najaar voor het volgende jaar een begroting te maken die door de kerkenraad wordt goedgekeurd.

Een begroting is een raming, een vooraf gemaakte schatting van inkomsten en uitgaven voor de komende periode. Een begroting is geen wet waar men zich aan houden moet, maar een hulpmiddel om zich beter bewust te worden dat het mogelijk anders gaat dan men dacht. Van een begroting kan dan ook te allen tijde op bepaalde punten, als de nood daartoe dringt, worden afgeweken. Door te werken met een begroting krijgt men als diaconie vooraf inzicht in de financiële ruimte voor het opzetten van nieuwe activiteiten, het steunen van diaconale instellingen en dergelijke, maar ook krijgt men tijdens de lopende periode inzicht, op welke punten het beleid bijstelling behoeft.

Ook kan aan de hand van de begroting een collecterooster worden opgesteld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald, althans ingeschat, hoeveel ruimte er is om de algemene diaconale collecten voor een bepaald doel te bestemmen.

1.2.1       Jaarstukken

Elk jaar behoort de diaconie een duidelijk verslag te geven van de financiële situatie. Dit verslag kan bestaan uit een aantal elementen, zoals een overzicht van inkomsten en uitgaven, een balans en een begroting.

Het is aan te bevelen om naar de gemeenteleden toe niet alleen cijfers te publiceren, maar ook een toelichting bij de gepubliceerde cijfers te geven. Het is voor een gemeente belangrijk om ook iets te horen over de achtergronden van het gevoerde beleid. Transparantie en een goede uitleg bevorderen de betrokkenheid van de gemeente. Leg daarom in het verslag bijvoorbeeld uit waarom men de reserves in de komende jaren wil verhogen of verminderen en licht toe waarom bijdragen aan bepaalde instellingen hoger zijn danaan andere, of waarom een instelling die altijd werd gesteund van de lijst is gehaald. Vertrouwelijke gegevens mogen uiteraard nooit openbaar gemaakt worden.

1.2.2       Diaconale reserves

Reeds in paragraaf 10.1 is vastgesteld dat de opbrengsten van de diaconale inzameling bedoeld zijn voor het vanuit de christelijke gemeente zorgend en dienend bezig zijn en omgaan met diegenen die hulp behoeven. De diaconale inzameling is niet bedoeld om gereserveerd te worden.

Verschil in inzicht maakt dat het een veel besproken onderwerp is, ook tijdens ledenvergaderingen. De vraag die steeds wordt gesteld is, hoe groot het vermogen, de reservering van de diaconie mag of moet zijn. Zo kan het gebeuren dat het ene gemeentelid erop wijst dat de diaconale inkomsten gegeven worden voor armen en behoeftigen en dat daarom alles wat binnen komt ook direct weer uitgegeven moet worden. Er is actuele nood ‘genoeg’ in de wereld. Een ander gemeentelid stelt hier tegenover dat diakenen zullen uitdelen met onderscheidingsgave en voorzichtigheid (bevestigingsformulier) en stelt voor om vooral voorzichtig te zijn met uitgeven, omdat men vandaag niet kan voorzien wat zich morgen als nood aandient.

Omdat in beide standpunten waardevolle elementen zitten, is het van belang om weloverwogen de goede elementen uit beide stellingen samen te voegen en op grond daarvan een beleid vast te stellen (zie hoofdstuk 11). Een vaste regel voor de diaconale reserves is moeilijk te geven, omdat dit mede bepaald wordt door de samenstelling van de gemeente (jong/oud, rijk/arm, veel of weinig bijstandsgezinnen, veel of weinig niet verzekerden).

Een hulpmiddel om toch tot een weloverwogen hoogte van het vermogen van de diaconie te komen, is het beoordelen van de uitgaven van de diaconie over de achterliggende drie tot vijf jaar en op basis van deze uitgaven een gewenste reserve vast te stellen. Bij de weging dienen de factoren meegenomen te worden die zijn genoemd. Ervaring leert dat een grotere reserve dan dit gemiddelde vrijwel niet noodzakelijk is.

Diaconaal geld moet altijd kunnen worden ‘uitgedeeld naar dat elk van node heeft’ (Handelingen 4:35 en bevestigingsformulier diakenen). Dit blijft in principe ook gelden voor geld, dat tegen rente is uitgeleend aan de eigen kerk. De kerkenraad zal bij het lenen van geld van de diaconie dit in zijn overwegingen moeten betrekken.

1.3       Uitdelen

Het behoort tot de taak van de diakenen om de ingezamelde gaven te besteden. Daarbij hebben ze steeds opnieuw twee beslissingen te nemen. In de eerste plaats moet worden vastgesteld welke personen of instanties steun behoeven. In de tweede plaats met welk bedrag (of op welke wijze) ondersteund moet worden. Om dat besluit weloverwogen te kunnen nemen, is het goed een aantal richtlijnen te hebben.

De diaconale verantwoordelijkheid geldt allereerst voor de eigen gemeente. Als hieraan voldaan kan worden, geldt vervolgens de verantwoordelijkheid voor instellingen die uitgaan van of gedragen worden door het geheel van onze gemeenten. Is er naast deze verantwoordelijkheden ruimte voor het steunen van andere instellingen, dan is het aan te bevelen instellingen te steunen die voldoen aan toetsbare criteria.

1.3.1       Ondersteuning van gemeenteleden

De diaconale verantwoordelijkheid geldt allereerst voor de eigen gemeente.

Aan wie moet ondersteuning geboden worden? Het is van belang om vooraf binnen diaconie en kerkenraad afspraken te maken; door het vaststellen van richtlijnen wordt voorkomen dat steun persoonsafhankelijk wordt of op willekeur is gebaseerd.

Overwegingen bij ondersteuning aan gemeenteleden zijn:

  • Het is onze opdracht om onze naaste met mildheid en liefde te geven of te lenen, voldoende voor wat hem ontbreekt (Exodus 23:11, Deuteronomium 15: 7-11, Mattheüs 25:40).

  • Financiële nood kan het ‘welzijn’ van de naaste en zijn verhouding tot de Heere negatief beïnvloeden.

  • Het is raadzaam om onderscheid te maken tussen financiële problemen van incidentele of van structurele aard.

  • Hoe wordt de financiële nood als nood ervaren? Dit kan erg verschillend zijn.

  • Betrek in de afwegingen de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene en van zijn eventuele familie naast die van de diaconie.

  • Streef naar een goede balans tussen zorgvuldigheid, verantwoordelijkheid en mildheid.

  • Hoeveel financiële ondersteuning moet er gegeven worden?

Voor het kunnen vaststellen van de omvang en ernst van de financiële nood is het noodzakelijk dat diakenen inzicht krijgen in de financiële positie van de betrokken hulpvrager. Daarbij mogen zij openheid van de hulpvrager verwachten en kunnen zij naar alle noodzakelijke financiële informatie vragen.

Hoe ver een diaken doorvraagt zal afhangen van de aard van het probleem, de openheid van de hulpvrager en de relatie tussen hulpvrager en diaken. Hij zal in elk geval doorvragen tot hij voor zichzelf voldoende duidelijkheid heeft verkregen, om een verantwoord hulpaanbod te kunnen doen.

Het is verstandig afspraken te maken over de grenzen van het financiële mandaat van de diakenen. Mag een diaken in een geval van acute nood zonder ruggespraak alvast enig geld geven en tot welk bedrag?

Stel zorgvuldig vast of er behoefte is aan eenmalige hulp of dat er structurele ondersteuning nodig is. Zorg voordat er structureel ondersteuning wordt gegeven dat er inzicht is of betrokkenen zelf in staat zijn om hun inkomen te vergroten of dat dit met hulp mogelijk is en of op andere wijze kan worden voorkomen dat betrokkenen afhankelijk worden van de steun van de diaconie. Om de hoogte van diaconale steun vast te stellen kunnen de normen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) als handreiking dienen (voor gegevens zie hoofdstuk 18).

Het beleid van de diaconie dient er ook op gericht te zijn om financiële problemen te voorkómen. Het kan in vele gevallen ontoereikend zijn om gemeenteleden die in financiële problemen verkeren alleen van geld of andere middelen te voorzien. Vanzelfsprekend moet daar waar nood is, ondersteuning geboden worden, maar het komt nogal eens voor dat het bestedingsgedrag van mensen niet of niet meer overeenkomt met het besteedbare budget. In die gevallen moet de diaken ook aandacht besteden aan budgettering en uitgavenpatroon en moet hij de mensen ook leren met geld om te gaan. Hij kan dit op allerlei wijzen doen, bijvoorbeeld door het (helpen) budgetteren, het opstellen van een jaarbegroting, het doorlichten van de uitgaven enz. De diaconale ondersteuning dient er op gericht te zijn om de betrokkene(n) zo snel mogelijk weer financieel onafhankelijk te laten zijn.