Wat zegt de Bijbel over het diaconaat?

De Nederlandse woorden diaconaat, diaconie en diaken zijn afgeleid van het Griekse stamwoord ‘diakoneoo’ dat ‘dienen’ of ‘dienst bewijzen’ betekent. Het woord ‘diakonia’ betekent dienst, dienstbetoon of bediening en een ‘diakonos’ is een dienaar. Zo worden de woorden ook op bijna alle vindplaatsen in het Nieuwe Testament vertaald. Uitsluitend in de teksten waar het duidelijk gaat over een ambtsdrager, iemand die in Christus’ gemeente een ambt bekleedt (Filippensen 1: 1 en  1 Timotheüs 3: 8 en 12), heeft de Statenvertaling het woord ‘diaken’ gebruikt.

Onder diaconaat verstaan wij dus dienst, namelijk de dienst der christelijke barmhartigheid, het vanuit de christelijke gemeente zorgend en dienend bezig zijn en omgaan met diegenen, die hulp behoeven, als een opdracht van Godswege. 

Diaconaat in het Oude Testament
In het Oude Testament lezen we nog niet over het diakenambt. Wel lezen we over dienen. We lezen hoe het volk Israël, Gods verbondsvolk, geroepen is om de Heere en de naaste te dienen. Vooral in het boek Deuteronomium roept de Heere Zijn volk met wetten op om hen die niet voor zich zelf kunnen zorgen, niet in de verdrukking te laten komen (Deuteronomium 15). Opvallend hierbij is dat deze (diaconale) zorg in Israël een zaak van het hele volk is; er is geen priester of leviet die de armenzorg regelt. Zodra het volk niet doet wat het bevolen wordt, laat de HEERE klachten horen over onrecht en geweld dat armen, zwakken en weerlozen wordt aangedaan. Met name in de Psalmen en bij de profeten vinden we vele voorbeelden van Gods ongenoegen over deze zaken. Zie bijvoorbeeld de Psalmen 10, 73 en 82, Amos 3: 10, Jesaja 1: 10-17, Jesaja 58: 1-12, Jeremia 2: 34, Jeremia 5: 27-29, Jeremia 7: 1-11, Ezechiël 16: 49, Jeremia 22: 7, 12, 29 en Maleachi 3: 5.

Diaconaat in het Nieuwe Testament
Ook in het Nieuwe Testament wordt gesproken over de gemeente die dient te zorgen voor de armen. In het Nieuwe Testament wordt duidelijk invulling en vorm gegeven aan de ‘diakonia’. In de teksten Romeinen 15: 25 en 31 en op diverse plaatsen in 2 Korinthe 8 en 9 betreft het woord ‘diakonia’ de inzamelingsactie voor de gemeente te Jeruzalem. De apostel Paulus doet een beroep op de Korinthiërs voor diaconale hulp. In Hebreeën 6: 10 bedoelt de apostel met ‘de heiligen dienen’ duidelijk méér dan financiële steun alleen; en in Openbaring 2: 19 is ‘dienst’ vooral geweest het verlenen van gastvrijheid, wat belangrijk was in het leven van de jonge christelijke gemeente (men stelde zijn huis vrij open, met name voor vervolgde geloofsgenoten).
Reeds direct na de uitstorting van de Heilige Geest blijkt dat de jonge christelijke gemeente het als haar plicht ziet om voor de naaste te zorgen (Handelingen 2: 45). Toen door de groei van de gemeente de taak van de apostelen te zwaar werd, is het diakenambt ingesteld (Handelingen 6: 1-7). Maar het moet opvallen dat ook nadat het ambt van diaken is ingesteld, het nog steeds de gemeente is, die wordt aangesproken op haar plicht om voor de armen te zorgen (1 Johannes 3: 17, Romeinen 2: 20). Dit betekent dat de diakenen niet de taak van de gemeente overnemen, maar dat het diakenambt is ingesteld om de taak van de gemeente goed te laten functioneren. De diaken zal daarom dikwijls eerder coördinerend en stimulerend dan uitvoerend bezig zijn. De ‘bemoeienis’ van de diaken is ambtelijk, d.w.z. in opdracht van en met gezag van Christus, maar ‘ziende op de gemeente’.